a) Elke fysieke persoon die een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor hij noch door een arbeidsovereenkomst (arbeiders of bedienden), noch door een statuut (openbare administraties) gebonden is, wordt beschouwd als een zelfstandige.
De opbouwende elementen van een arbeidsovereenkomst zijn traditioneel met drie : de prestatie, de bezoldiging en de band van ondergeschiktheid. Het essentieel criterium dat toelaat om een zelfstandige activiteit te onderscheiden van een loontrekkende activiteit is de afwezigheid van een band van ondergeschiktheid uit hoofde van de zelfstandige.
Ongeacht het type arbeidsovereenkomst, is er een band van ondergeschiktheid vanaf het ogenblik dat een persoon (de werkgever) gezag kan uitoefenen over een andere persoon (de werknemer). In de praktijk volstaat het dat dit gezag potentieel is. Het gezag moet niet effectief en doorlopend uitgeoefend worden.
Wanneer een arbeidsverband bestaat dat in werkelijkheid loontrekkend is, maar geveinsd wordt als zelfstandige activiteit te worden uitgeoefend, wordt de wet overtreden en kunnen aan beide partijen zware sancties opgelegd worden. Men spreekt hier van de problematiek van de « valse zelfstandigen ».
De « valse zelfstandige » is de persoon die onderworpen is aan het sociaal statuut van de zelfstandigen, maar die in werkelijkheid werkt onder het gezag van een werkgever met een duidelijke band van ondergeschiktheid. Hij werkt dus onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als een werknemer maar zonder arbeidsovereenkomst.
De grens tussen beide statuten is meestal vaag. Daarom werd de programmawet van 27 december 2006 gestemd, die een antwoord wil bieden voor deze onzekerheid.
Deze wet vermeldt 4 algemene criteria die toelaten om de relatie te evalueren die bestaat tussen de partijen :
• de wil van de partijen zoals uitgedrukt in hun overeenkomst • de vrijheid bij de organisatie van hun uurrooster • de vrijheid om hun werk te organiseren • geen mogelijkheid tot hiërarchische controle
De wet stelt het principe in dat de partijen vrij de aard van hun arbeidsverhouding kiezen, maar stelt ook dat de effectieve uitvoering van het werk moet overeenstemmen met de aard van de verhouding die overeengekomen werd door de partijen. De kwalificatie die door de partijen gegeven wordt aan het contract is dus essentieel want indien de feiten deze kwalificatie niet tegenspreken, zal de rechter er zeker rekening mee moeten houden. Indien de kwalificatie die de partijen gegeven hebben over de arbeidsverhouding echter niet overeenstemt met het uitgevoerde werk, dan zal deze verhouding opnieuw gekwalificeerd worden.
• de werknemer neemt geen deel aan de winst of het verlies van de onderneming • geen investering van eigen kapitaal in de onderneming • geen financiële aansprakelijkheid en geen beslissingsmacht in de onderneming • de garantie van periodieke betaling • het feit dat maar één enkele onderneming klant is • het feit van zelf geen werkgever te zijn (bv. : mogelijkheid om personeel aan te werven). • het feit dat men zijn werktijd niet vrij kan organiseren • het bestaan van een interne controleprocedure, ondersteund door sancties • de afwezigheid van beslissingsmacht over de facturatie aan klanten
b) Elke persoon die in België een beroepsactiviteit uitoefent die beroepsinkomsten als zelfstandige kan opleveren, zoals beoogd door het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, wordt geacht onderworpen te zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen, tot het tegendeel bewezen is.
Dit moet een herhaalde activiteit zijn waarmee de uitvoerder bestaansmiddelen probeert te verwerven. Het feit dat hij in werkelijkheid voor deze activiteit geen enkel inkomen ontvangt, heeft geen belang voor de onderwerping aan het sociaal statuut voor de zelfstandigen. We noteren dat eventuele voordelen in natura als inkomsten beschouwd worden.
Voorbeeld :
• Handelaars • Landbouwers • Vrije beroepen • Ambachtslui • Gepensioneerden die willen starten met een zelfstandige activiteit (in hoofd- of in bijberoep) moeten zich aansluiten bij een Sociaal verzekeringsfonds. Actieve gepensioneerden blijven onderworpen
De vennootschapsmandataris is diegene die van alle vennoten van een vennootschap de bevoegdheid krijgt om in hun naam de handelen.
Personen die een mandaat uitoefenen in een handelsvennootschap (bestuurders, zaakvoerders, ...) zijn onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandigen. Wij preciseren ook dat de vennootschap waarin het mandaat wordt uitgeoefend solidair aansprakelijk is voor de betaling van de sociale bijdragen.
Van deze verzekeringsplicht kan onder bepaalde voorwaarden afgeweken worden. De betrokken personen zullen niet alleen wettelijk de kosteloosheid van hun mandaat moeten bewijzen (kopie van de statuten of van de beslissing van de algemene vergadering die de kosteloosheid acteert), maar deze wettelijke kosteloosheid zal gestaafd moeten worden door een feitelijke kosteloosheid (afwezigheid van een inkomen meegedeeld door de belastingsadministratie, geen voordelen in natura, ...).
Voor meer informatie over de kosteloze mandaten, klik hier
De werkende vennoot is de vennoot die in de vennootschap een activiteit uitoefent om het kapitaal te doen opbrengen dat gedeeltelijk van hem is. Deze activiteit mag, maar moet niet noodzakelijk het karakter aannemen van zaakvoering of beheer.
Deze vennoten zijn onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen.
De stille vennoten stellen zich tevreden met het plukken van de vruchten uit het kapitaal dat zij in de vennootschap geïnvesteerd hebben, zonder er een beroepsactiviteit uit te oefenen. Deze vennoten zijn dus niet verzekeringsplichtig in het sociaal statuut van de zelfstandigen.
Sedert 1 januari 1997 heeft de wetgever het fiscaal begrip « werkende vennoot » geschrapt en vervangen door het begrip « bedrijfsleider ». Hoewel de naam veranderd is, blijft de verzekeringsplicht van deze vennoten behouden.
Voorbeeld :
| • | Elke persoon die deel uitmaakt van een feitelijke vereniging |
| • | Verantwoordelijke van een eenpersoonsvennootschap |
| • | Mandataris van een handelsvennootschap |
| • | Vennoten van een coöperatieve vennootschap |
| • | Mandatarissen van een VZW die onderworpen is aan de vennootschapsbelastingen |
De uitoefening van een mandaat staat in principe gelijk met de uitoefening van een beroepsactiviteit die aanleiding geeft tot onderwerping, ongeacht het feit of het mandaat bezoldigd is of kosteloos.
Het vermoeden van onderwerping kan echter omgekeerd worden voor zover de betrokken mandataris de kosteloosheid in rechte en de feitelijke kosteloosheid van zijn mandaat kan aantonen.
a) Kosteloosheid in rechte
De kosteloosheid van het mandaat zal moeten aangetoond worden via de statuten van de vennootschap en indien deze geen enkel standpunt innemen over de kosteloosheid van de mandaten, zal men zich moeten baseren op een beraadslaging van het bevoegde orgaan (bv. algemene vergadering) inzake de bezoldiging van de mandatarissen. Een beslissing van dit orgaan heeft geen terugwerkende kracht en telt dus enkel voor de toekomst.
Verschillende hypotheses :
De statuten bepalen dat het mandaat kosteloos is :
De kosteloosheid van het mandaat is bewezen.
De statuten vermelden niets over de al dan niet kosteloosheid van het mandaat :
De kosteloosheid kan enkel blijken uit een beslissing van een bevoegd orgaan.
De statuten laten de algemene vergadering beslissen of een bezoldiging zal toegekend worden of vermelden dat het mandaat kosteloos is, tenzij anders beslist door het bevoegde orgaan :
De kosteloosheid kan niet aanvaard worden zolang de algemene vergadering niet duidelijk beslist heeft over de kosteloosheid van het mandaat. De mandataris is bijgevolg verzekeringsplichtig.
De statuten vermelden dat het mandaat bezoldigd is, maar dat geen enkele bezoldiging werd toegekend :
Zolang de statuten niet bepalen dat het mandaat onbezoldigd is, blijft de mandataris verzekeringsplichtig.
b) Feitelijke kosteloosheid
Een kosteloosheid in rechte die nietig verklaard wordt door de feitelijke vaststelling dat inkomsten werden aangegeven, kan niet aangenomen worden. De kosteloosheid in rechte moet gestaafd worden door een feitelijke kosteloosheid. De afwezigheid van inkomsten voor een bepaalde periode kan niet opgemaakt worden uit een simpel bestaand feit, maar wel uit de afwezigheid van een winstoogmerk. Dit veronderstelt dus de ononderbroken afwezigheid van beroepsinkomsten als zelfstandige voor het betreffende mandaat en tijdens de volledige duur van dit mandaat, namelijk vanaf de benoeming tot het einde ervan.
Feitelijke bezoldiging, zonder statutenwijziging en zonder beslissing van het bevoegde orgaan
Eens de mandataris (feitelijk) bezoldigd is en het winstoogmerk werd opgemaakt, zal hij onderworpen zijn aan het sociaal statuut van zelfstandigen, en dit voor de volledige duur van het mandaat en niet alleen voor de jaren waarin hij feitelijk bezoldigd werd.
Feitelijke bezoldiging, met statutenwijziging en/of beslissing van het bevoegde orgaan
Wanneer een mandaat dat tot nog toe volledig kosteloos was, bezoldigd wordt, en dit gestaafd wordt door de statutenwijziging, zal de verzekeringsplicht gelden voor de toekomst en voor de volledige duur van het mandaat, vanaf het kwartaal waarin beslist werd om de statuten te wijzigen.
Dit geldt ook wanneer het bevoegd orgaan zich in de toekomst uitspreekt over de bezoldiging van het mandaat.
Wanneer een mandaat dat tot nog toe bezoldigd was, kosteloos wordt na een statutenwijziging of na een beslissing van het bevoegde orgaan, dan zal de verzekeringsplicht stoppen vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de beslissing werd genomen.
Voorbeeld: de statuten van 19/01/2005 vermelden geen enkele bepaling over de bezoldiging van de mandatarissen.
Op 16/04/2005 beslist de algemene vergadering dat het mandaat van de bestuurders gratis is en er geen feitelijke toekenning is.
Vanaf 1 juli 2005 is de bestuurder niet verzekeringsplichtig.
N.B. : Het is aan de betrokken mandataris om het vermoeden om te keren. Noch het RSVZ, noch het Sociaal verzekeringsfonds kunnen dit automatisch doen.
De bepalingen met betrekking tot de kosteloosheid betreffen enkel de uitoefening van een mandaat. Indien de uitgeoefende activiteit het kader van dit mandaat te buiten gaat, moet de onderwerping aan het sociaal statuut van de zelfstandigen behouden blijven.
Dit is het geval indien een persoon zowel werkende vennoot als mandataris is van de vennootschap. Deze persoon oefent een activiteit uit om het kapitaal van de vennootschap dat gedeeltelijk van hem is te doen opbrengen en oefent dus taken uit die het kader van het beroep van mandataris te buiten gaan ; deze laatste heeft enkel een vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennootschap. Deze persoon zal dus onderworpen blijven aan het sociaal statuut van de zelfstandigen en zal eventueel sociale bijdragen moeten betalen.
Onder helper wordt verstaan: iedere persoon die een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn (bv.: zoon of dochter in het bedrijf van de ouders).
De zelfstandige is samen met zijn helper solidair gehouden tot de betaling van de bijdragen die deze laatste verschuldigd is.
De activiteit als helper wordt niet beschouwd als een zelfstandige activiteit indien:
| • | ze een toevallig karakter heeft en ze minder dan 90 dagen per jaar uitgeoefend wordt; |
| • | ze toch een regelmatig karakter heeft, maar uitgeoefend wordt door studenten die kinderbijslag genieten, voor zover de activiteit niet meer dan 80 uur per maand uitgeoefend wordt; |
| • | het gaat om help(st)ers vóór 1 januari van het jaar waarin ze 20 jaar worden. De help(st)er die vóór deze datum in het huwelijk treedt, is onderworpen vanaf het burgerlijk kwartaal waarin het huwelijk werd aangegaan; |
Elke man of vrouw die helper is van zijn/haar echtgeno(o)t(e), is onderworpen aan het statuut van de zelfstandigen, voor zover hij geen persoonlijke sociale bescherming geniet. Hierbij horen ook de helpers van zelfstandigen waarmee zij niet gehuwd zijn maar met wie zij verbonden zijn door een verklaring van wettelijk samenwonen.
Opgelet ! Een meewerkende echtgeno(o)t(e) die zijn/haar echtgeno(o)t(e) bijstaat in de uitoefening van zijn beroep en die aandelen heeft in de vennootschap van deze laatste, wordt als werkende vennoot beschouwd en zal in die hoedanigheid verzekeringsplichtig zijn. Hij kan niet de hoedanigheid aannemen van niet-verzekeringsplichtige helper.
Sedert 1 januari 1997 is het niet meer mogelijk om een deel van de beroepsinkomsten fictief toe te kennen aan de meewerkende echtgenoot van een bedrijfsleider. Indien dit wel het geval is, moet de echtgenoot zich zelf aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen en sociale bijdragen betalen.
Sedert 1 juli 2005 is de verplichte onderwerping uitgebreid naar alle sectoren van de sociale zekerheid, met uitzondering van de sociale verzekering ingeval van faillissement.
Voor personen die geboren zijn vóór 1 januari 1956 is enkel de verplichte onderwerping in de sector ziekte- en invaliditeitsverzekering van toepassing. Zij hebben wel de mogelijkheid om vrijwillig bijdragen te betalen in de andere sectoren van de sociale zekerheid.
| • | De echtgenoot (of wettelijk samenwonende) die eigen rechten heeft inzake sociale zekerheid Naargelang het geval zal hij loontrekkende, ambtenaar, zelfstandige of ontvanger van een vervangingsinkomen zijn; |
| • | De echtgenoot (of wettelijk samenwonende) die niet effectief helpt in de onderneming Deze persoon zal een verklaring op eer moeten invullen, waarin aangetoond wordt dat hij zijn echtgenoot (of wettelijk samenwonende) niet of enkel occasioneel bijstaat of vervangt (-90 dagen/jaar) bij de uitoefening van zijn beroep; |
| • | De echtgenoot (of wettelijk samenwonende) van een bedrijfsleider. |
De onderworpen meewerkende echtgenoot moet zich bij hetzelfde sociaal verzekeringsfonds aansluiten als de reeds aangesloten hoofdonderworpene.
Maxistatuut
De kwartaalbijdrage, verschuldigd door meewerkende echtgenoten die geboren zijn vanaf 1 januari 1956 (maxistatuut) wordt aan hetzelfde percentage berekend als deze die verschuldigd is door een zelfstandige in hoofdberoep. De voorlopige bijdrage die gevorderd wordt is wel lager dan deze die verschuldigd is door een zelfstandige in hoofdberoep.
Om het bedrag van de bijdragen te kennen, klik hier
Ministatuut
De kwartaalbijdrage, verschuldigd door meewerkende echtgenoten geboren vóór 1 januari 1956 (ministatuut) stemt overeen met het gedeelte dat bestemd is voor de sector « ongeschiktheid » van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, verschuldigd door een zelfstandige in hoofdberoep.
Deze bijdrage wordt op dezelfde beroepsinkomsten berekend als deze die dienen voor de berekening van de sociale bijdragen van de geholpen echtgeno(o)t(e), verhoogd met de beheerskosten ; dezelfde regels gelden als voor de voorlopige bijdragen en de regularisaties die deze met zich meebrengen.
Om het bedrag van de bijdragen te kennen, klik hier
De bijdrage die de meewerkende echtgenoot moet betalen, wordt gevorderd met een apart vervaldagbericht dat naar hem wordt verstuurd. We merken nogmaals op dat de geholpen echtgenoot solidair aansprakelijk is voor de betaling van de sociale bijdragen van zijn helper en dus ook kan vervolgd worden ingeval van niet-betaling.
Vrijstelling
De commissie kan aan de meewerkende echtgenoot enkel vrijstelling toestaan indien ook aan de hoofdaangeslotene een vrijstelling werd verleend, en dit voor de sociale bijdragen die betrekking hebben op dezelfde kwartalen. In dit geval wordt dus sterk aangeraden om beide aanvragen gelijktijdig in te dienen
| • | Personen met een arbeidsovereenkomst of onder statuut |
| • | Helpers die hun activiteit gedurende minder dan 90 dagen per jaar niet regelmatig uitoefenen. |
| • | Vennootschapsmandatarissen die de pensioenleeftijd bereikt hebben of die genieten van een vervroegd pensioen en die hun mandaten kosteloos uitoefenen. |
| • | Journalisten, perscorrespondenten en personen die auteursrechten genieten, indien zij voldoen aan volgende voorwaarden : - van een sociaal statuut genieten dat minstens gelijkwaardig is aan dit ten gunste van een zelfstandige in hoofdberoep - of de pensioenleeftijd bereikt hebben |
| • | Artiesten (weerlegbaar vermoeden van verzekeringsplicht aan de RSZ sedert 1 juli 2003). |